Mijn doctoraalscriptie vatte ik op als een voorstudie voor een proefschrift. Na mijn afstuderen lukte het echter niet om in de universitaire wereld aan de slag te gaan. Wel heb ik nog een paar jaar gewerkt voor een onderzoeksinstituut voor onderdrukte volken als de Koerden, Eritreërs en Guatemalteekse Indianen. Ik merkte echter dat mijn eigen diepste interesse toch bleef bij de politieke en sociale vraagstukken van de laat-industriële samenlevingen. Maar daar kon ik mijn brood niet mee verdienen. Ik kwam in het bedrijfsleven terecht, en dat is heel goed voor me geweest. Mijn wetenschappelijke ambities moest ik voorlopig inslikken. Alle materiaal verdween in een doos, ergens veilig, maar wel ver weg.

Aanvankelijk had ik nogal vooroordelen tegen werken in het bedrijfsleven. Dat kwam door mijn achtergrond: mijn ouders en grootouders van vaders- en moeders kant werkten in uitstervende beroepen: molenaars en beurtschippers. Daar stond me een beeld van bij van lang en hard buffelen voor weinig, vechten tegen de bierkaai en het uiteindelijk toch niet redden met de broodwinning. Vrolijk kon ik daar niet van worden.

Daarnaast had ik als links activistisch ingestelde student een forse dosis wantrouwen tegen kapitalisten en hun bedrijven. Daarin werken zag ik voor mezelf niet zitten. Maar vanaf dag 1 bij mijn eerste werkgever merkte ik dat het dan wel allemaal kapitalistisch mocht zijn, hier in dit bedrijf waren alle betrokkenen keihard bezig om dingen goed te regelen voor de klant – en dat stond me aan. Ik schoot hier al snel goed wortel en dat is nadien niet meer veranderd.

Daar speelt ook in mee dat mijn werkgevers bedrijven waren met serieuze handelsproducten. Bij de een ging het om materiaal voor redding en spoedeisende hulpverlening, en bij de tweede ging het om hijs- en hefmiddelen, waarbij ik productmanager was voor persoonlijke valbeveiliging. Dat betrof dus mensen die op hoogte werken, blootgesteld zijn aan het gevaar van vallen, en ze het bewustzijn van veiligheid bijbrengen om daar professioneel de veilige draai aan te geven. Daarbij was draagvlak creëren onder het betreffende personeel essentieel. Hiervan een succes proberen te maken heeft me veel geleerd.

Ik heb te maken gehad met directeuren en met het personeel van de vloer, en met het meeste van wat daar tussenin zit. Dat gebeurde in zowat alle sectoren van de industrie, te land en off shore, maar ook bij krijgsmacht, politie en brandweer. Bij Mennens ( www.mennens.nl ) was ik deels verantwoordelijk voor de activiteit van 20 vertegenwoordigers, 30 binnendienstverkopers, en op het laatst 150 monteurs en inspecteurs. Zo’n taak dwingt je tot actief coachen, zeer direct en gericht communiceren en iedereen goed bij de les te houden. Dan krijg je vanzelf over en weer schik van elkaar. Tot op de laatste dag van mijn ‘werkzame’ leven heb ik me hier met bijzonder veel plezier voor ingezet.

Maar goed, dat was het werk. In mijn hart bleef ik de historicus, al had ik dit deel van mezelf mentaal ergens in de luwte geparkeerd. Maar zo tegen 2010, de kinderen waren het huis uit, begon het weer intellectueel bij me te kriebelen. Het was een recensie van Bas Heijne die me ertoe bracht om het betreffende boek te kopen. Toen bleek dat ik toch wat andere accenten legde bij het bepalen van het belang ervan, en ik besloot om mijn ideeën eens uit te werken in een artikel. Het was een probeersel. Zie op de site dat van Todorov en de Islamcontroverse, van 2009. Het gaf me voldoening te merken dat ik het schrijven van kritische artikelen nog kon. Ik besloot de draad stukje bij beetje weer op te pakken. De rest is wat de site nu te zien geeft en wat er nog gaat komen.