Stagnerende maatschappijkritiek
Stagnerende linkse maatschappijkritiek in late 20e en vroege 21e eeuw: Hoe geraakt deze uit het slop? Dit betreft de bewegingen zelf, maar ook de overdenking ervan, in media en weten­schap.

Vanuit het oogpunt van ideeënkritiek zijn er opvallende aspecten aan te wijzen. Bij de be­wegingen, zoals actiegroepen, vakbonden en ook politieke partijen speelt het kritische temperament, of juist het gebrek daaraan, een grote rol. Kunnen ze leren van hun fouten of kunnen ze dat juist niet?

Alle bewegingen in dit verband stappen al agerend onherroepelijk in bepaalde historische denktradities. Deze variëren op links grofweg van sociaaldemocratisch tot maoïstisch of anarchistisch, met telkens weer de nodige kleuring van hun eigen tijdsgewricht. Ze ontplooien hun activiteiten, van acties tot overden­kingen en analyses. Dat gebeurt, vanuit die tradities, telkens met specifieke stelsels van begrippen en redeneerpatronen.  Regelmatig vinden er ook opschuivingen en veranderingen in denkwijzen plaats.

Afhankelijk van hoe radicaal of juist gematigd het temperament van de betrokkenen is, kunnen deze veranderingen gradueel of juist heel ingrijpend zijn. Deze variëren van enerzijds de omslag naar rechts tot anderzijds de radicalisering naar gewelddadig ‘links’ activisme. De omslag naar rechts maakten in de jaren ‘50 veel intellectuelen die teleurgesteld waren door het communisme van Stalin, en velen werden fervente anticommunisten in de sfeer van de Koude Oorlog. Naar links sloegen, bij voorbeeld, bij ons in Nederland nogal wat studenten af die van calvinistische komaf waren, en een nieuw thuis vonden in een van de varianten van marxisme-leninisme. Het mondde vaak uit in sectarisch radicalisme, zoals in ons land dat van de KEN-ml, of, internationaal, de Rote Armee Fraktion, Brigate Rosse, et cetera.

Het zijn vaak geen kritische heroriënteringen, maar vooral inruilingen van de ene dogma­tiek voor de andere. Deze patronen zijn overal in de westerse wereld te vinden, van de Amerikaanse New Left en de beweging voor burgerrechten tot de Italiaanse Brigate Ros­se. De uiteenlopende varianten uiten zich uiteraard tijdsgebonden. Dat is onvermijdelijk. In de logica van handelen en denken zijn echter wel steeds weer dezelfde lijnen terug te vin­den. Spijtig genoeg lopen ze ook steeds dood. Mijn doel is om dit te analyseren en er les­sen uit te trekken.

In de media en de wetenschappelijke overdenking hiervan beweegt het denken zich in vergelijkbare patronen. De paradigma’s lopen parallel, wat uiteraard niet onlogisch is. Columnisten, jour­nalisten, commentatoren, opinieleiders en ook de meeste wetenschappers zijn niet in staat om zich wezenlijk buiten het stramien te plaatsen waarin dit alles zich beweegt. Dit betreft, rekening houdend met de verschillen die de diverse disciplines met zich meebrengen, de historici, en ook de sociologen, politicologen en filosofen.

Het gaat zowel om de vakinhoudelijke kant als de methodologische onderbouwing daar­van: filosofisch, wetenschapstheoretisch en kennistheoretisch. Waar de inhoudelijke dis­cussies stagneren of ontaarden komen al snel de filosofische argumenten om de hoek kij­ken. Dat is op zich heel logisch. Het jammere is dat men daarmee onder elkaar al net zo­zeer de discussie dood slaat. Ook dit illustreer ik met de nodige historische voorbeelden.

De uitweg loopt langs enkele paden.

  • Ten eerste een kritische methode toepassen in alle bestaande onderzoek, gericht op oplossingen van actuele vraagstukken. Wat is bij een bepaald vraagstuk de stand van zaken in de discussie? Wat zijn de vragen die open blijven? Vervolgens daarmee aan de slag. Of in ieder geval met een gedeelte daarvan. Simpeler kan het niet.

  • Dit is qua methode en wetenschapstheorie, wetenschapsfilosofie en kennistheorie vol­ledig verantwoord te onderbouwen. Men rekent hiermee ook af met het verlammende, hedendaagse postmodernisme en mede daardoor ingegeven denkhoudingen van ‘post truth’ denken en die volgens welke ‘grote verhalen’ er niet meer toe zouden doen. De behoefte aan zo’n ‘groot verhaal’ is na de teloorgang van de marxistisch geïnspireerde stromingen juist alleen maar aan het toenemen. Ik bepleit dus ronduit de terugkeer van gro­te visies, maar dan wel kritisch onderbouwd. Geen geklets uit de ruimte van onze “freischwebende Intelligenz” dus. Daar hebben we al veel teveel van.

  • Het probleem is dat de analyses binnen het kader van de gebruikelijke politieke en me­dia-logische, electoraal-politieke kaders veelal te beperkt zijn. Veel richt zich op kie­zersonderzoek en zaken daaromheen, zoals electorale doelgroepen en hun  perspec­tieven aan de hand van opiniepeilingen. Het komt feitelijk neer op het analytische denk­vermogen van de goudvis in zijn kommetje. Steeds maar weer hetzelfde cirkeltje, maar ieder rondje is weer opnieuw spannend. Voor die visjes, tenminste. Daar moeten we van af want je blijft zo maar achter de feiten aan keutelen. Daar buiten is heel veel meer, en ik wil daar juist de aandacht op vestigen.

    Daarnaast is er een soort post-revolutionaire berusting in het feit dat de heersende orde te sterk is en er te weinig goede theorievorming is. Daar moeten we ook van af.

    • Het barst juist van de waardevolle theoretische aanknopingspunten, maar er ge­beurt te weinig mee. Bewegingen voor ‘social change’ blijven zodoende onver­diend in de kou.

    • De huidige maatschappelijke orde is taai. Wellicht veel te taai voor grootse en meeslepende processen van emancipatoire sociale verandering. Maar dit sluit op geen enkel terrein zinvolle verbeteringen uit. En gelukkig zijn die er ook. Je moet er alleen oog voor hebben. Op kleine schaal gebeurt er van alles dat de moeite waard is, en het is dus zaak om de kennis daarover door te geven. De behoefte daaraan is groot en de uitdaging voor de historicus en de sociale we­tenschapper is dus navenant.

    • Kritisch stimulerende overdenking van allerlei positieve ontwikkelingen die he­dendaagse sociale bewegingen tonen kan tot de juiste uitweg leiden. Dat moet niet per se tot een heropleving van varianten van eertijdse revolutionaire stro­mingen leiden. Mocht daar toch behoefte aan zijn, dan blijkt dat uiteindelijk van­zelf wel.
      Enerzijds moeten we kritisch volgen van wat zich binnen de perken van de hui­dige democratische politieke cultuur afspeelt en dat stimuleren waar nodig. Daarnaast dienen we te wijzen op datgene wat zich buiten die kaders afspeelt. Verder moeten we vooral aansturen op de verbinding tussen die twee. Daar hoeft geen primaat van het ene boven het andere bij aan de orde te zijn. Zoiets zal slechts verlammend werken. Veel belangrijker is dat de stimulansen over en weer gaan.

Aan de hand van de invalshoek zoals ik die hierboven construeer, bepleit ik een weten­schappelijke praktijk en een intellectuele cultuur die mogelijk veel meer kracht en vitaliteit zal tonen dan wat er nu gebeurt. Het is een kwestie van leren van wat er verkeerd ging, en het niet op allerlei manieren weer opnieuw averechts blijven doen. Ik hoop dat de volgende artike­len daartoe bruikbare aanknopingspunten bieden.

De mensen die het nodig hebben kunnen het goed gebruiken, en uiteindelijk hebben we er allemaal alleen maar baat bij. Het mooiste zou zijn als er bij dit rekken van ons aardse voortbe­staan, met de instituties die we gewend zijn, ook nog het een en ander aan democratische verbeteringen wordt gerealiseerd.